Toonhoogte is in objectieve zin de frequentie van een muzieknoot. Bijvoorbeeld de A heeft een frequentie van 440 Hz.momenteel. Momenteel, want vroeger was de toonhoogte van de A lager, bijvoorbeeld bij een oude piano kan de A een frequentie van 435 Hz hebben.

Door deze standaard toonhoogte van de A, wordt ook de toonhoogte van elke andere muzieknoot bepaald. Bijvoorbeeld op een piano verschilt elke halve noot met een factor “wortel 2” of 2^(1/2). Een octaaf komt overeen met een frequentie verhouding van 2:1. Bijvoorbeeld de A-snaar van een viool is 440 Hz. De A een octaaf hoger is 880 Hz.

Veel geluiden die geen echt toonkarakter hebben worden door musici beschouwd als niet-tonaal. Bijvoorbeeld een trommel, cymbalen, castagnetten, tambourein. Dit geldt ook voor het gesproken woord.

Een interval is de frequentie verhouding tussen 2 muzieknoten.

De frequentie verhouding staat hieronder voor de C-majeur toonladder. Maar dezelfde verhoudingen gelden voor alle andere majeur-toonschalen.

C
(9:8)
D
(10:9)
E
(16:15)
F
(9:8)
G
(10:9)
A
(9:8)
B
(16:15)
C <- Octave

Het inteval tussen E & F en tussen B & C is een halve toon. Alle andere intervallen in deze toonladder zijn hele tonen.

Intervallen krijgen vaak andere namen. Bijvoorbeeld in de C-majeur toonladder: C D E F G A B C, is de noot E de derde noot, en staat met het interval terts af van de C. De toonladder voor D-majeur, D major: D E F# G A B C# D, is de terts het interval tussen D en F#. De term interval kan ook worden gebruikt om aan te duiden dat noten tegelijk worden gespeeld. Dan kunnen er consonante (mooi klinkende) en dissonante (vals klikkende) klanken ontstaan.

De tonen van een mineur-toonladder verschillen van de majeur-toonladder. Een belangrijk verschil is de kleine terts. Bijvoorbeeld voor de toonladder C-mineur is de derde toon, Emol een kleine terst hoger dan de grondtoon C.