Het Besluit Geluidhinder Spoorwegen (Bgs) bevat wetgeving die gericht is op het voorkómen van nieuwe geluidhinder situaties, en wetgeving die erop gericht is dat bestaande situaties niet verslechteren (het “stand still principe” ten opzichte van het jaar 1987). In het Bgs is ook omschreven wat er moet gebeuren als de spoorwegbeheerder iets verandert aan de spoorlijn, dan kan er een zogenaamde “wijziging Bgs” optreden. Wat er dan moet gebeuren is in het Bgs omschreven in een aantal stappen, die hierna worden toegelicht. In het laatste onderdeel wordt ingegaan op de interpretatie.

  1. Wat is een wijziging van een spoorweg?
  2. Welke uitzonderingen zijn er op deze definitie?
  3. Wanneer leidt een wijziging tot een overschrijding van geluidsnormen op woningen?
  4. Wat moet er gebeuren als er een wijziging optreedt?

7.2.1. Wat is een wijziging van een spoorweg?

Het Bgs definieert het begrip “wijziging spoorweg” in Artikel 1, eerste lid onder d als volgt: ” wijziging van een spoorweg: een wijziging met betrekking tot een aanwezige spoorweg, die verandering brengt in de omstandigheden welke ingevolge de regels die gelden bij de vaststelling van de geluidsbelasting vanwege die spoorweg in acht genomen moeten worden;”

In de nota van toelichting van het Bgs, in onderdeel C, staat dat “onder een wijziging in het kader van dit besluit wordt verstaan elke verandering in de invoergegevens van het op grond van artikel 23 door Onze Minister op te stellen Reken- en Meetvoorschrift”.

7.2.2. Welke uitzonderingen zijn er op deze definitie?

In het Bgs in artikel 1 worden twee soorten uitzonderingen gedefinieerd die niet gelden als een wijziging spoorweg. De eerst groep uitzonderingen betreft kleine wijzigingen van een spoorlijn die behoren tot de fluctuaties die bij normale exploitatie optreden. De tweede groep heeft betrekking op kleine toename van het geluidsniveau op woningen.

uitzondering bij fluctuaties in de normale exploitatie

Deze groep uitzonderingen is als volgt gedefinieerd: “Onder een wijziging van een spoorweg wordt in dit besluit niet verstaan de afzonderlijke omstandigheid die bestaat uit:

  • een verhoging van minder dan 45% in de maatgevende intensiteit van door Onze Minister te bepalen categorieën railvoertuigen op een bepaald spoorweggedeelte of een combinatie van spoorweggedeelten in de ingevolge artikel 1, eerste lid, onder f, in acht te nemen etmaalperiode;
  • een verhoging van 20% of minder van de verkeerssnelheid van door Onze Minister te bepalen categorieën railvoertuigen op een bepaald spoorweggedeelte of een combinatie van spoorweggedeelten in de ingevolge artikel 1, eerste lid, onder f, in acht te nemen etmaalperiode;
  • een horizontale verplaatsing van de spoorstaven over een afstand kleiner dan twee meter;
  • een verticale verplaatsing van de spoorstaven over een afstand kleiner dan een meter
  • dan wel het ter vervanging aanbrengen van een baanconstructie, die, bepaald met inachtneming van de door Onze Minister op grond van artikel 23 gestelde regels, niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie.”

uitzondering bij kleine toename van de geluidsbelasting

De tweede soort uitzonderingen heeft betrekking op wijzigingen die slechts leiden tot een geringe geluidtoename in situaties met geluidniveaus onder de grenswaarde voor geluidsanering (65 dB(A)). Dit is als volgt in het Bgs verwoord:

Er “wordt onder een wijziging van een spoorweg in dit besluit niet verstaan een wijziging die een verhoging van 2 dB(A) of minder tot gevolg heeft, en tengevolge waarvan de geluidsbelasting van de uitwendige scheidingsconstructie van woningen of van andere geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan 65 dB(A).”

7.2.3. Wanneer leidt een wijziging tot overschrijding van geluidsnormen op woningen?

Als er een wijziging optreedt wordt bekeken of de toekomstige geluidsbelasting toelaatbaar is. Daarbij wordt onderscheid gemaakt of er al eerder een geluidprocedure is gevoerd met daarbij een hogere waarde (bijvoorbeeld bij nieuwbouw van woningen), of dat er sprake is van een historisch gegroeide situatie. Er wordt hier gesproken over “woningen”, maar ook voor andere geluidgevoelige bestemmingen, zoals bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen.

Geluidbelastingen onder de voorkeurswaarde (57 dB(A) voor wonignen) zijn altijd toegestaan, welke toename er ook optreedt.

De ten hoogste toelaatbare waarde is in het geval dat een hogere waarde verleend is:

  • de laagste van de volgende twee waarden:
    • geluidbelasting huidige situatie (voor de wijziging)
    • geluidbelasting volgens de hogere waarde

Als er geen hogere waarde verleend is, is de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting:

  • de laagste van de volgende twee waarden:
    • geluidbelasting huidige situatie (voor de wijziging)
    • geluidbelasting in het jaar 1987 (de invoering van het Bgs).

Met name het laatste criterium weerspiegelt de geest van het Bgs, het “stand-still” principe.

7.2.4. Wat moet er gebeuren als er een wijziging optreedt?

Als de spoorbeheerder een wijziging Bgs wenst door te voeren, dient hij een akoestisch onderzoek naar geluidniveaus bij woningen uit te voeren en te toetsen aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting. Dit dient hij ook te doen bij afname van geluidniveaus, aangezien hij moet toetsen of de geluidbelasting op woningen niet hoger dan 65 dB(A) zal zijn. Uit het akoestische onderzoek blijkt waar overschrijdingen van de ten hoogste toelaatbare waarden verwacht worden. Voor deze geluidgevoelige bestemmingen zijn maatregelen nodig en is het volgen van een geluidproducedure (in dit geval artikel 19 Bgs ) aan de orde. In die procedure neemt de gemeenteraad een besluit over de te nemen maatregelen (bijvoorbeeld het plaatsen van geluidschermen) en wordt voor woningen waar deze maatregelen onvoldoende zijn een “hogere waarde procedure” gevolgd. Op basis daarvan worden de woningen onderzocht om te bezien of de binnenwaarde aan de normen voldoet. Tenslotte worden, als dat nodig blijkt, deze woningen beter tegen het geluid geïsoleerd.